Lezingen - 15 maart 2026
Spring naar hoofdtekstNavigatiekalender
Navigatie
Jaar A
Pagina 71 (nieuw)
Pagina 512 (oud)
Vierde zondag in de veertigdagentijd
Eerste lezing
I Sam. 16, 1b. 6-7. 10-13a
David wordt gezalfd tot koning over Israël.
Lezing uit het Eerste boek Samuël
In die dagen
zei de Heer tot Samuël:
“Vul een hoorn met olie:
Ik zend u naar Isaï de Betlehemiet,
want een van zijn zonen heb Ik voor het koningschap bestemd.”
Toen Samuël daar aankwam,
viel zijn blik op Éliab en hij dacht:
“Die daar voor de Heer staat, is ongetwijfeld zijn gezalfde!”
Maar de Heer zei tot Samuël:
“Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte;
hem wil Ik niet.
Want God ziet niet zoals een mens ziet;
een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer naar het hart.”
Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor,
maar Samuël zei tot Isaï:
“Geen van hen heeft de Heer uitverkoren.”
Daarop vroeg hij aan Isaï:
“Zijn dat al uw jongens?”
Hij antwoordde:
“Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.”
Toen zei Samuël tot Isaï:
“Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel,
voordat hij hier is.”
Hij liet hem dus halen.
De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen.
Nu zei de Heer:
“Hem moet gij zalven: hij is het.”
Samuël nam dus de hoorn met olie
en zalfde hem te midden van zijn broers.
Sedert die dag was de geest van de Heer vaardig over David.
Woord van de Heer.
allen: Wij danken God.
Antwoordpsalm
Ps. 23 (22), 1-3a. 3b-4. 5. 6 (R. 1)
R. De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.
De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij neerliggen in grazige weiden,
Hij voert mij naar rustig water,
daar geeft Hij mij nieuwe kracht. (R.)
Hij leidt mij op het rechte spoor, omwille van zijn Naam.
Al ga ik door dalen van duisternis en dood,
ik vrees geen onheil, want Gij zijt bij mij:
uw stok en uw staf, zij geven mij moed. (R.)
Gij dekt voor mij de tafel,
voor de ogen van mijn belagers;
met olie zalft Gij mijn hoofd,
mijn beker vloeit over. (R.)
Ja, uw goedheid en liefde blijven mij volgen
alle dagen van mijn leven.
Ik zal wonen in het huis van de Heer,
tot in lengte van dagen. (R.)
Tweede lezing
Ef. 5, 8-14
Sta op uit de doden en Christus zal u verlichten.
Lezing uit de Brief van de heilige apostel Paulus
aan de Efeziërs
Broeders en zusters,
Eens waart gij duisternis,
nu zijt gij licht in de Heer.
Leeft dan ook als kinderen van het licht
— want de vrucht van het licht
bestaat in alles wat goedheid, gerechtigheid en waarheid is
en onderzoekt wat de Heer welgevallig is;
neemt geen deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis,
maar stelt ze liever aan de kaak.
Want wat door hen in het verborgene gedaan wordt,
is te schandelijk om over te spreken.
Maar alles wat aan de kaak wordt gesteld,
wordt door het licht openbaar gemaakt.
Immers, alles wat openbaar gemaakt wordt, is licht.
Daarom heet het:
“Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden
en Christus zal over u lichten.”
Woord van de Heer.
allen: Wij danken God.
Evangelie
Joh. 9, 1-41
Hij ging, waste zich en kwam ziende terug.
De Heer zij met u.
allen: En met uw geest.
+ Lezing uit het heilig Evangelie volgens Johannes.
allen: Lof zij U, Christus.
In die tijd
zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af.
En zijn leerlingen vroegen Hem:
“Rabbi, wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?”
Jezus antwoordde:
“Noch hij heeft gezondigd, noch zijn ouders,
maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden.
Wij moeten de werken verrichten
van Hem die Mij gezonden heeft, zolang het dag is.
De nacht komt en dan kan niemand werken.
Zolang Ik in de wereld ben,
ben Ik het licht van de wereld.”
Toen Hij dit gezegd had,
spuwde Hij op de grond, maakte met het speeksel slijk,
bestreek daarmee de ogen van de man
en zei tot hem:
“Ga u wassen in de vijver van Siloam” — wat betekent: Gezondene.
Hij ging er naar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan.
Zijn buren nu en degenen die hem vroeger hadden zien bédelen, zeiden:
“Is dat niet de man, die zat te bédelen?”
Sommigen zeiden: “Hij is het.”
Anderen zeiden: “Nee, maar hij lijkt op hem.”
Hijzelf zei: “Ik ben het.”
Toen vroegen ze hem:
“Hoe zijn dan uw ogen geopend?”
Hij antwoordde:
“De mens die Jezus heet, maakte slijk,
bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij:
‘Ga naar de Siloam en was u.
Ik ben er naar toe gegaan, waste mij en kon zien.’”
Ze vroegen hem: “Waar is die man?”
Hij zei: “Ik weet het niet.”
Ze brachten de man die blind geweest was, bij de Farizeeën.
Nu was de dag waarop Jezus slijk had gemaakt
en zijn ogen had geopend, een sabbat.
Ook de Farizeeën vroegen hem hoe hij ziende was geworden.
Hij zei hun:
“Hij deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie.”
Toen zeiden sommige Farizeeën:
“Die mens komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet.”
Anderen zeiden:
“Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?”
En er was verdeeldheid onder hen.
Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen:
“Wat zegt gijzelfvan Hem, daar Hij u toch de ogen geopend heeft?”
Hij antwoordde:
“Het is een profeet.”
De Joden geloofden niet van hem,
dat hij blind was geweest en nu kon zien,
voordat zij de ouders van de man die ziende geworden was,
erbij geroepen hadden.
Zij vroegen hun:
“Is dit uw zoon, die volgens uw zeggen blind geboren is?
Hoe kan hij dan nu zien?”
Zijn ouders antwoordden:
“Wij weten, dat dit onze zoon is en dat hij blind is geboren,
maar hoe hij nu zien kan, weten we niet;
of wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet.
Vraagt het hemzelf,
hij is oud genoeg en kan voor zichzelf spreken.”
Dat zeiden zijn ouders,
omdat zij bevreesd waren voor de Joden,
want de Joden hadden reeds afgesproken
dat alwie Hem als de Christus beleed,
uit de synagoge gebannen zou worden.
Daarom zeiden zijn ouders:
“Hij is oud genoeg, vraagt het hemzelf.”
Voor de maal riepen ze nu de man die blind was geweest, bij zich
en zeiden hem:
“Geef eer aan God.
Wij weten dat deze mens een zondaar is.”
Hij echter antwoordde:
“Of Hij een zondaar is, weet ik niet.
Eén ding weet ik wel: dat ik blind was en nu zie.”
Daarop vroegen zij hem:
“Wat heeft Hij met u gedaan?
Hoe heeft Hij uw ogen geopend?”
Hij antwoordde hun:
“Dat heb ik al gezegd, maar gij hebt niet geluisterd.
Waarom wilt gij het opnieuw horen?
Wilt ook gij soms leerlingen van Hem worden?”
Toen zeiden zij smalend tot hem:
“Gij zijt een leerling van Hem,
wij zijn leerlingen van Mozes.
Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft,
maar van Deze weten wij niet waar Hij vandaan is.”
De man gaf hun ten antwoord:
“Dit is toch wel wonderlijk, dat gij niet weet vanwaar Hij is;
en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.
Wij weten dat God niet naar zondaars luistert,
maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet,
dan luistert Hij naar zo iemand.
Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord,
dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend.
Als deze man niet van God kwam,
had Hij zoiets nooit kunnen doen.”
Zij voegden hem toe:
“In zonden zijt ge geboren, helemaal, en gij leest ons de les?”
En ze wierpen hem buiten.
Jezus hoorde dat ze hem buitengeworpen hadden,
en toen Hij hem aantrof, zei Hij:
“Gelooft ge in de Mensenzoon?”
Hij antwoordde:
“Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven.”
Jezus zei hem:
“Hem die gij ziet en die met u spreekt, Hij is het.”
Toen zei hij:
“Ik geloof, Heer.”
En hij wierp zich voor Hem neer.
En Jezus zei:
“Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen,
opdat de niet-zienden zouden zien en de zienden blind worden.”
Enkele Farizeeën die bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tot Hem:
“Zijn ook wij soms blind?”
Jezus zei hun:
“Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben,
maar nu gij zegt: 'Wij zien', blijft uw zonde.”
Woord van de Heer.
allen: Wij danken God.
Ofwel de kortere versie
Joh. 9, 1. 6-9. 13-17. 34-38
Hij ging, waste zich en kwam ziende terug.
De Heer zij met u.
allen: En met uw geest.
+ Lezing uit het heilig Evangelie volgens Johannes.
allen: Lof zij U, Christus.
In die tijd
zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af.
En Hij spuwde op de grond, maakte met het speeksel slijk,
bestreek daarmee de ogen van de man
en zei tot hem:
“Ga u wassen in de vijver van Siloam” — wat betekent: Gezondene.
Hij ging er naar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan.
Zijn buren nu en degenen die hem vroeger hadden zien bédelen, zeiden:
“Is dat niet de man, die zat te bédelen?”
Sommigen zeiden: “Hij is het.”
Anderen zeiden: “Nee, maar hij lijkt op hem.”
Hijzelf zei: “Ik ben het.”
Ze brachten de man die blind geweest was, bij de Farizeeën.
Nu was de dag waarop Jezus slijk had gemaakt
en zijn ogen had geopend, een sabbat.
Ook de Farizeeën vroegen hem hoe hij ziende was geworden.
Hij zei hun:
“Hij deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie.”
Toen zeiden sommige Farizeeën:
“Die mens komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet.”
Anderen zeiden:
“Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?”
En er was verdeeldheid onder hen.
Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen:
“Wat zegt gijzelf van Hem, daar Hij u toch de ogen geopend heeft?”
Hij antwoordde:
“Het is een profeet.”
Zij voegden hem toe:
“In zonden zijt ge geboren, helemaal, en gij leest ons de les?”
En ze wierpen hem buiten.
Jezus hoorde dat ze hem buitengeworpen hadden,
en toen Hij hem aantrof, zei Hij:
“Gelooft ge in de Mensenzoon?”
Hij antwoordde:
“Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven.”
Jezus zei hem:
“Hem die gij ziet en die met u spreekt, Hij is het.”
Toen zei hij:
“Ik geloof, Heer.”
En hij wierp zich voor Hem neer.
Woord van de Heer.
allen: Wij danken God.
Bron: Tiltenberg Romeins Missaal
Terug naar boven