Lezingen - 22 maart 2026
Spring naar hoofdtekstNavigatiekalender
Navigatie
Jaar A
Pagina 77 (nieuw)
Pagina 516 (oud)
Vijfde zondag in de veertigdagentijd
Eerste lezing
Ez. 37, 12-14
Ik zal u mijn geest schenken en gij zult leven.
Lezing uit de Profetie van Ezechiël
Dit zegt de Heer God:
“Zie, Ik ga uw graven openen;
en Ik zal u uit uw graven wegvoeren, mijn volk,
en u brengen naar de grond van Israël.
En gij zult weten dat Ik de Heer ben,
wanneer Ik uw graven geopend heb
en u zal hebben weggevoerd uit uw graven, mijn volk.
Mijn geest schenk Ik u en gij zult leven;
Ik zal u laten wonen op uw eigen grond
en gij zult weten dat Ik de Heer ben:
Ik heb gesproken en zal het doen”, zegt de Heer God.
Woord van de Heer.
allen: Wij danken God.
Antwoordpsalm
Ps. 130 (129), 1-2. 3-4. 5-6. 7-8 (R. 7bc)
R. Bij de Heer is barmhartigheid, bij Hem is verlossing in overvloed.
Uit de diepte roep ik tot U, Heer;
Heer, hoor mijn stem,
luister met een aandachtig oor
naar mijn smekende stem.
Als Gij zonden blijft gedenken, Heer,
Heer, wie houdt dan stand?
Maar bij U is vergeving,
daarom heeft men ontzag voor U. R.
Ik zie uit naar de Heer,
met heel mijn ziel zie ik naar Hem uit;
ik wacht in vertrouwen op zijn woord.
Mijn ziel ziet uit naar de Heer,
meer dan wachters naar de ochtend,
dan wachters naar de ochtend. R.
Israël, wacht in vertrouwen op de Heer;
bij Hem is barmhartigheid,
bij Hem is verlossing in overvloed.
Hij is het die Israël verlost
van al zijn zonden. R.
Tweede lezing
Rom. 8, 8-11
De Geest van Hem die Jezus van de doden heeft opgewekt, woont in u.
Lezing uit de Brief van de heilige apostel Paulus
aan de Romeinen
Broeders en zusters,
Zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen.
Gij echter zijt niet in het vlees, maar in de Geest,
aangezien de Geest van God in u woont.
Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft,
dan behoort hij Hem niet toe.
Als Christus echter in u is,
is uw lichaam weliswaar dood door de zonde,
maar de Geest is leven door de gerechtigheid.
En als de Geest van Hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont,
zal Hij, die Christus uit de doden heeft opgewekt,
ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont.
Woord van de Heer.
allen: Wij danken God.
Evangelie
Joh. 11, 1-45
Ik ben de verrijzenis en het leven.
De Heer zij met u.
allen: En met uw geest.
+ Lezing uit het heilig Evangelie volgens Johannes.
allen: Lof zij U, Christus.
In die tijd
was er iemand ziek: Lazarus van Betanië,
uit het dorp van Maria en haar zuster Marta.
Maria was de vrouw die de Heer met geurige olie had gezalfd
en zijn voeten met haar haren had afgedroogd.
De zieke Lazarus was haar broer.
De zusters stuurden Hem nu de boodschap:
“Heer, zie, hij die Gij bemint, is ziek.”
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij:
“Deze ziekte voert niet tot de dood,
maar is er omwille van Gods heerlijkheid,
opdat de Zoon van God er door verheerlijkt moge worden.”
Jezus had Marta, haar zuster en Lazarus lief.
Toen Hij dan hoorde dat hij ziek was,
bleef Hij nog twee dagen op de plaats waar Hij was;
daarna zei Hij tot zijn leerlingen:
“Laten we weer naar Judea gaan.”
De leerlingen zeiden Hem:
“Rabbi, nog pas probeerden de Joden U te stenigen
en Gij gaat er nu weer heen?”
Jezus antwoordde:
“Zijn er geen twaalf uren in een dag?
Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet,
omdat hij het licht van deze wereld ziet.
Maar als iemand 's nachts loopt, stoot hij zich,
omdat het licht niet in hem is.”
Zo sprak Hij en hierna zei Hij hun:
“Onze vriend Lazarus slaapt,
maar Ik ga hem wakker maken.”
Zijn leerlingen zeiden Hem nu:
“Heer, als hij slaapt, zal hij gered worden.”
Jezus had echter van zijn dood gesproken,
terwijl zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak.
Daarom zei Jezus hun toen openlijk:
“Lazarus is gestorven,
en omwille van u verheug Ik Mij dat Ik er niet was, opdat gij moogt geloven.
Maar laten we naar hem toegaan.”
Toen zei Thomas, die ook Didymus genoemd wordt,
tot zijn medeleerlingen:
“Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”
Bij zijn aankomst bevond Jezus
dat hij al vier dagen in het graf lag.
Betanië nu was dichtbij Jeruzalem, op ongeveer vijftien stadiën.
Vele Joden waren naar Marta en Maria gekomen
om hen te troosten vanwege hun broer.
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was,
ging zij Hem tegemoet;
Maria echter bleef thuis zitten.
Marta zei tot Jezus:
“Heer, als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.
Maar zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt,
God het U zal geven.”
Jezus zei tot haar:
“Uw broer zal verrijzen.”
Marta zei Hem:
“Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.”
Jezus zei haar:
“Ik ben de verrijzenis en het leven.
Wie gelooft in Mij, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft en gelooft in Mij, zal in eeuwigheid niet sterven.
Gelooft gij dit?”
Zij zei tot Hem:
“Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Christus zijt,
de Zoon Gods, die in de wereld komt.”
Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen en zei zachtjes:
“De Meester is er en Hij roept u.”
Zodra Maria dit hoorde,
stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangekomen,
maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had.
Toen de Joden die met Maria in huis waren om haar te troosten,
haar snel zagen opstaan en naar buiten gaan,
volgden zij haar
in de mening dat zij naar het graf ging om daar te weeklagen.
Zodra nu Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond,
en zij Hem zag, viel zij Hem te voet en zei Hem:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.”
Toen Jezus haar zag weeklagen
en ook de Joden zag weeklagen die met haar meegekomen waren,
sidderde Hij inwendig
en ontsteld
zei Hij:
“Waar hebt gij hem neergelegd?”
Zij zeiden Hem:
“Heer, kom en zie.”
Jezus begon te wenen.
De Joden zeiden nu:
“Zie hoe Hij hem beminde.”
Maar sommigen onder hen zeiden:
“Kon Hij, die de ogen van de blinde opende,
ook niet maken dat deze niet stierf?”
Terwijl Jezus opnieuw inwendig sidderde, kwam Hij aan bij het graf.
Het was een rotsgraf en er lag een steen voor.
Jezus zei:
“Neemt de steen weg.”
Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem:
“Heer, hij riekt al, want het is reeds de vierde dag.”
Jezus zei haar:
“Heb Ik u niet gezegd, dat als ge gelooft, ge Gods heerlijkheid zult zien?”
Ze namen dus de steen weg.
Jezus sloeg de ogen omhoog en zei:
“Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt.
Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort,
maar omwille van het volk dat hier omheen staat, heb Ik dit gezegd,
opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.”
Toen Hij dit had gezegd, riep Hij met luide stem:
“Lazarus, kom naar buiten!”
De gestorvene kwam naar buiten,
voeten en handen met zwachtels gebonden,
en zijn gezicht was met een zweetdoek omwikkeld.
Jezus zei hun:
“Maakt hem los en laat hem gaan.”
Vele Joden, die naar Maria waren gekomen en zagen wat Hij gedaan had,
geloofden in Hem.
Woord van de Heer.
allen: Wij danken God.
Ofwel de kortere versie
Ik ben de verrijzenis en het leven.
Joh. 11, 3-7. 17. 20-27. 33b-45
De Heer zij met u.
allen: En met uw geest.
+ Lezing uit het heilig Evangelie volgens Johannes.
allen: Lof zij U, Christus.
In die tijd
stuurden de zusters van Lazarus Jezus de boodschap:
“Heer, zie, hij die Gij bemint, is ziek.”
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij:
“Deze ziekte voert niet tot de dood,
maar is er omwille van Gods heerlijkheid,
opdat de Zoon van God er door verheerlijkt moge worden.”
Jezus hield veel van Marta,
van haar zuster en van Lazarus.
Toen Hij dan hoorde dat hij ziek was,
bleef Hij nog twee dagen op de plaats waar Hij was;
daarna zei Hij tot zijn leerlingen:
“Laten we weer naar Judea gaan.”
Bij zijn aankomst bevond Jezus
dat hij al vier dagen in het graf lag.
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was,
ging zij Hem tegemoet;
Maria echter bleef thuis zitten.
Marta zei tot Jezus:
“Heer, als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.
Maar zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt,
God het U zal geven.”
Jezus zei tot haar:
“Uw broer zal verrijzen.”
Marta zei Hem:
“Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.”
Jezus zei haar:
“Ik ben de verrijzenis en het leven.
Wie gelooft in Mij, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft en gelooft in Mij, zal in eeuwigheid niet sterven.
Gelooft gij dit?”
Zij zei tot Hem:
“Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Christus zijt,
de Zoon Gods, die in de wereld komt.”
Jezus sidderde inwendig
en ontsteld
zei Hij:
“Waar hebt gij hem neergelegd?”
Zij zeiden Hem:
“Heer, kom en zie.”
Jezus begon te wenen.
De Joden zeiden nu:
“Zie hoe Hij hem beminde.”
Maar sommigen onder hen zeiden:
“Kon Hij, die de ogen van de blinde opende,
ook niet maken dat deze niet stierf?”
Terwijl Jezus opnieuw inwendig sidderde,
kwam Hij aan bij het graf.
Het was een rotsgraf en er lag een steen voor.
Jezus zei:
“Neemt de steen weg.”
Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem:
“Heer, hij riekt al, want het is reeds de vierde dag.”
Jezus zei haar:
“Heb Ik u niet gezegd, dat als ge gelooft,
ge Gods heerlijkheid zult zien?”
Ze namen dus de steen weg.
Jezus sloeg de ogen omhoog en zei:
“Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt.
Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort,
maar omwille van het volk dat hier omheen staat,
heb Ik dit gezegd,
opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.”
Toen Hij dit had gezegd, riep Hij met luide stem:
“Lazarus, kom naar buiten!”
De gestorvene kwam naar buiten,
voeten en handen met zwachtels gebonden,
en zijn gezicht was met een zweetdoek omwikkeld.
Jezus zei hun:
“Maakt hem los en laat hem gaan.”
Vele Joden, die naar Maria waren gekomen
en zagen wat Hij gedaan had,
geloofden in Hem.
Woord van de Heer.
allen: Wij danken God.
Bron: Tiltenberg Romeins Missaal
Terug naar boven